woensdag 3 april 2013

Het geheim van een goed huwelijk


“Hij ziet het verschil toch niet,’ denk ik. Dus ik zal het moeten zeggen. Dat ik ver over mijn pijngrens ben gegaan om ook onderin de kastjes te kunnen boenen.

Ik bedenk me dat hij ook heus een bijdrage levert aan dat perpetuum mobile van een huishouden. Op zijn manier. Maar ik kijk dan liever niet. Zodat ik niet zie dat de stofzuiger in zijn hand de stofhopen in de hoeken standaard overslaat. Zodat ik mijn aanwijzingen niet hoef in te slikken om geen verontwaardiging over mij af te roepen. Hoe vaak is tenslotte al niet bewezen dat deze lat al op zijn hoogst ligt voor hem. Als ík het zus of zo wil, dan zal ik het dus echt zelf moeten doen.

Goed dan! Maar dan wil ik wel erkenning. En dat moet hij uit zichzelf geven.

Dus ik zucht eens diep en zet mijn rechterhand kreunend op mijn onderrug. Frons in voorhoofd. Man hangt zijn jas op en begint de krant te lezen die op de bar ligt.

Het feit dat die bar glimt en opgeruimd is, valt hem niet op. Of in elk geval merkt hij er niets over op. Dit irriteert me.

Mateloos.

Razernij voel ik opkomen. “Zeg, luister eens. Twee dagen in de week zorg ik voor de kinderen én ben ik huisvrouw en dan wil ik daarvoor waardering krijgen. Op papadag – als ik werk - mag ik blij zijn als óf de vaatwasser is uitgeruimd óf er een was is gedraaid. Maar dan tref ik die was wel vergeten aan einde dag, zodat de hele boel zo naar natte hond stinkt dat ík het dus nog een keer moet draaien, want mannen ruiken dat soort dingen niet. En meestal is de keuken dan ook nog een ontplofte tomaat die ik na het eten moet schoonpoetsen terwijl eigenlijk de kinderen extra achter broek moeten worden gezeten omdat ze op tijd naar bed moeten, zodat het op mama-dag geen drama wordt omdat ze zo moe zijn.”

Het is een wonder dat hij mijn schreeuwende gedachten die door al mijn poriën naar buiten stomen, niet hoort. Een geluk. Want mijn buien zijn over het algemeen nogal onverwacht voor hem, God mag weten waarom.

Ik kijk nog eens om mij heen en zie een opgeruimde kamer, de jongens spelen samen met de duplo, vers wasgoed aan het rek in het trapgat, de stofzuiger en het emmertje met gebruikte poetsdoekjes staan in de hoek, de pastasaus staat zachtjes te pruttelen met de deksel op de pan, de keuken alweer aan kant, de pedaalemmer streeploos schoon met een nieuwe zak erin. Eigenlijk voel ik me heel tevreden. Maar ik had besloten dat ik daarbovenop waardering nodig heb.

Ik zal dus maatregelen moeten nemen. Zijn spontane erkenning expliciet opeisen.

“Nou, ik heb dus echt veel gedaan vandaag,” begin ik. En dan volgt een korte, feitelijk opsomming.

Man  - de schat - kijkt mij liefdevol in de ogen. Ik voel me direct gekalmeerd. Ik krijg een kus en hij zegt met zijn warmste stem ‘dankjewel’. Ja, manlief weet precies wat ’t vrouwtje nodig heeft. Zodat ze het volgende keer weer precies zo doet. Het geheim van een goed huwelijk. 

vrijdag 23 maart 2012

Trage pasjes

Daar sta ik bij de pinautomaat. Wie mij passeert merkt niets aan mij. Die denkt dat ik daar gewoon sta te wezen, als ware ik een normaal persoon die cash nodig heeft. Met de vingers trommelend op het dashboard van de automaat, wachtend op mijn geld. Nog even en ik fluit er een deuntje bij. “Row, row, row your boat, gently down the str…”

Maar kon men een kijkje nemen in mijn ziel, dan zou diegene direct op zoek gaan naar de nooduitgang, alsof hij op blote voeten plots in een landschap van gloeiende kolen was gestapt.

Want zo ziet mijn binnenste er wel eens uit. Eerlijk gezegd vaker dan mij lief is. Maar hey, what can you do?

In den beginne is daar een opgewekt, levenslustig mens. Scheutje ongedurigheid hier. Schepje – of doe eigenlijk maar een pond - slaapgebrek daar. Plus een dikke plak rugpijn. Even roeren en 10 minuutjes onder de gril. Voilà, daar hebbe men een persoon met een crispy buitenkant en een oververhitte vulling van roodgloeiende kooltjes.

Nu spoelen we een kwartiertje terug.

Ik heb zo meteen een afspraak. Voor het eerst in mijn leven ben ik echt op tijd van huis gegaan. Piekfijn tevreden met mijzelf stap ik in de auto. Ik heb alle tijd om nog te tanken en mocht ik de weg kwijt raken, geen probleem. Tijd zat. Ik denk zelfs dat ik een beetje te vroeg aan kom. Ik moet alleen nog even geld halen.

Daar sta ik bij de pinautomaat. Als je nagaat: pinnen kost 2, 3 minuten? Ik was een minuut of 20 te vroeg vertrokken gezien de voorspelde reistijd. Dan hou ik ruim een kwartier speling. Ja, toch?

Met mijn analytisch inzicht is niets mis, dat hebben tests uitgewezen. Maar ik ben niet zo goed in hoofdrekenen. En in wachten. In mijn voorverwarmde brein begint de temperatuur dan ook al op te lopen. Dit duurt niks geen 2, 3 minuten. Het lijkt wel een kwartier! Zo tergend langzaam als dat ding mijn pasje teruggeeft! Ik voel me persoonlijk beledigd.

De hitte trekt aan mijn ledematen, mijn rug begint te protesteren. Ik sta te pinnen, maar eigenlijk sta ik mijzelf op te vreten. (Die vulling van kooltjes is ronduit smerig.) Langzaam maar zeker raak ik overtuigd: ik ga te laat op mijn afspraak komen, ik weet het zeker!

Het enige wat ik wil, is NU mijn pasje en mijn flappen opbergen en snel weer Hup, op weg! Maar daar werkt meneer de pinautomaat niet aan mee, hoor, ho maar. Die schept er groot genoegen in om mij het leven zuur te maken. Op het scherm zie ik dat de transactie is afgehandeld. Waar blijft mijn pasje dan &#$(&!@^$(*!

Met het ongeduld van een peuter richt ik al mijn intentie op het gleufje waar mijn pasje weer uit tevoorschijn moet komen.

Ik stop met ongeduldig trommelen op het dashboard.

Ik zet links en rechts 2 vingertoppen tegen mijn slapen, knijp mijn ogen samen en DENK het pasje naar buiten. Maar de automaat is machtiger. Nog één ademhaling en dan komen daar de eerste millimeters van mijn pasje. Een diepe zucht later lukt het me mijn duim en wijsvinger om de eerste halve centimeter klemmen. En dan trek ik uit alle macht mijn pasje naar buiten. De automaat trekt terug. We zullen wel eens zien wie hier de baas is, denk ik. En ik geef een flinke ruk. Hebbes!

Wat zegt u? Heeft mijn innerlijke tirade geen effect what so ever op het tempo waarin de tijd verstrijkt? Ha, dat had u gedacht!

Ik leg even een kosmische wet uit waar Einstein nog een puntje aan kan zuigen: als je in 2, 3 minuten een gaswolk van energie genereert en die verpilt aan zinloos frustreren, dan gaat de tijd heus echt waar sneller.

En dus draai ik, zoals gewoonlijk, precies op tijd en gelukkig alweer afgekoeld de parkeerplaats van mijn bestemming op. Adem uit.

woensdag 29 februari 2012

Manisch gelukkig

Afgelopen nacht, zo tegen het ochtendgloren, droomde ik voor het eerst in mijn leven lucide. En dat is een aanrader, hoor!

Weet u wel, dat is dromen terwijl je weet dat je droomt, zodat je eventueel – mocht je dat willen – iets in die droom kunt laten gebeuren. Of niet laten gebeuren in mijn geval.

Ik laat even buiten beschouwing hoe mijn droom exact in elkaar zat, welke kleuren en geuren er waren en dergelijke. Waar het om gaat is dit: ik moest ZOVEEL doen. Van alles. Rondslingerend speelgoed opruimen, vallende planken en alles wat daarop stond opvangen, wassen draaien, mijn stoepje schoonvegen, afval in de straat opruimen. In essentie niet heel anders dan in mijn werkelijke, dagelijkse leven. Maar nu kwam alles tegelijk en direct achtereenvolgend, ik had dus geen seconde rust tussendoor. (Nu ik dit zo zeg, is dat eigenlijk ook niet anders in mijn werkelijke, dagelijkse leven, waarmee mijn droom meteen aan u is verklaard.)

Gelukzalig was die droom. Want – nou komt het – ik besefte me dat ik HELEMAAL NIETS hoefde te doen omdat ik droomde. Ik vond het wel geinig om voor één keer de neiging te weerstaan die hoort bij mijn twee X-chromosomen. Dat ging natuurlijk niet meteen goed, dat vergt een boel wilskracht, hoor. Ik moest mijn handen zowat op de rug vastbinden. Maar toen de derde stapel borden aan gruzelementen viel, had ik het al een beetje onder de knie. En bij de berg schoon wasgoed die riep: “Joehoe, hier ben ik en ik wil ontzettend graag strak opgevouwen en in de kast gelegd worden,” gaf ik niet thuis. Gna!

Mijn manisch geluk mocht niet lang duren.

Slechts een vleugje bevrijding was mij gegund. Voor deze ene keer mocht ik de boel de boel laten, alles aan diggelen laten vallen en mijn wereld laten verslonsen, zonder… Ja, zonder wat eigenlijk?! Dat weet ik dus nog steeds niet.

Mijn oudste schiet altijd meteen in een niet te stoppen kletstoestand, zodra zijn blote voetjes om zeven uur de grond raken. Hij stapte op de eject-knop van de afstandsbediening van mijn droomafspeler, die kennelijk ook ergens op de grond lag te slingeren. Zonder waarschuwing schoof ik op het dvd-laatje de droom uit en de alledaagse realiteit in. Klik.

Geloof ik in de heilzame, louterende werking van deze lucide droom? In het ruimtescheppende lange termijneffect dat zijn verleidelijk lokroep al laat horen? Daar is natuurlijk helemaal niets van waar.

Ik ben even onverbeterlijk als ieder ander met zijn ingesleten gedrag. Maar het is toch fijn dat ik - al was het maar eventjes en in een alternatieve werkelijkheid - het Groote Verantwoordelijkheidsgevoel van mij af kon laten glijden. Dat ik net zo’n achteloze houding kon aannemen als mensen die hun gebruikte snoepverpakkingen of peuken gewoon laten vallen en mijn straat bevuilen.

vrijdag 17 februari 2012

#digiTAAL

Mijn eerste tweetwoordjes.

Op valentijnsdag bij Het Taalcongres van De Redactie schreef ik ze.
Met een pen op een blocknote.

Ik heb geen smartphone. Dus ik zal moeten twitteren vanachter mijn iMac. Maar ik durf niet zo goed, ben een beetje bang: schuif ik straks eindelijk een voetje over de drempel naar Twitter, tuimel ik naar binnen en blijk ik heel de taal niet te spreken!! Zal je net zien.

(Ik moest docente Merel Roze vragen was een hashtag is #digibeetjedom.)

Gelukkig was ik die dag niet de enige die zonder moderne middelen door het leven gaat. Herman Pleij gaf een warme openingslezing met behulp van… een microfoon. Dat vond ik wel verfrissend.

Bij elke workshopronde, keek ik eens om mij heen, even de zaal taxeren. Bij de tweede workshopronde begon me op te vallen dat veel mensen steeds op hun smartphone zaten te typen. Zelfs bij de boeiende verhalen van Wim Honders. Wat schetste mijn verbazing! Geen van de docenten zei er iets over. Blijkbaar is dit heel anders dan een pet op je kop in de brugklas.

Het werd niet zomaar gedoogd, dat tikken op de mobieltjes, het leek wel of het gewaardeerd werd. Zag ik daar net vluchtig een trotse blik in de ogen van Hugo Louter toen er een mobiel met camera op hem werd gericht?

Het is niet onbeleefd om tijdens een workshop waar de docent zich gedegen op heeft voorbereid, met het hoofd gebogen op je mobieltje te kijken. Je hoeft niet voorover te leunen met een hand geïnteresseerd onder de kin om te laten zien dat je de docent al je aandacht geeft. Het is juist een compliment voor de docent als je de hele tijd op je mobieltje tikt. Want die weet: mijn workshop krijgt free publicity!

Ben ik heus zo gedateerd, antiek en belegen? In de laatste workshopronde, voel ik me alweer een beetje digilectisch. Want wat zegt docente Maria Balkenende, nou? Impressie, pressie. Het blijkt Prezi te zijn (moest ik dus Googlen). (Voor wie het stiekem ook niet weet: Prezi is een soort powerpoint maar dan gebaseerd op mindmappen.)

Zie je wat ik bedoel: de wereld van gadgets, moderne middelen en Twitter, ik moet het heus wat meer bij gaan houden. Tenminste, als ik geen analoge-kluizenaar wil worden.

Ik ben gek op het web, maar blijf tegelijkertijd fan van mailings op briefpapier en soft-cover boeken. (Van wie ik het heb, weet ik niet, mijn ouders lezen alleen nog maar e-Books.) Toch voel ik me na deze dag aangespoord, wakker geschud en geïnspireerd.

Dus ik hef mijn vuist en maak me sterk voor een digitale revolutie in mijzelf. Want ik ben een moderne meid die ook de digiTaal spreekt!

woensdag 8 februari 2012

Stukje tuinbeleving

Afgelopen zaterdag om 13:34 uur werd in onze achtertuin een lieflijk tafereeltje wreed verstoord. Door een kubieke meter onheil.

De scène speelde zich af in een prachtig, rustiek, wit landschap (onze achtertuin). De hoofdrolspelers: het roodborstje (onze favoriet), de dikke merel (daarover straks meer), twee koolmeesjes (oude bekenden) en één huismuis (tot voor kort doodgewaand).

De dikke merel heeft zich deze winter een plek eigen gemaakt onder onze kerstboom. (Ja, die leeft zijn tweede leven nog steeds.) In de zomer en herfst gedroeg de dikke merel zich zoals je verwacht van iemand met een saaie, bruine kleur. Misschien voelt hij zich na een paar maanden meer thuis. Misschien heeft de winter (of de kerstboom) iets in hem losgemaakt. Ik zou het niet weten. In elk geval neemt hij nu waar hij recht op denkt te hebben: al het snoepgoed in de kale mini-appelboom (behalve het vetbolletje). Als roodborstje moet je dan slim zijn. Ons roodborstje krijgt gelukkig een steeds beter gevoel voor timing. Maar die kubieke meter heeft hij niet aan zien komen.

Huismuis hadden wij sinds halverwege de zomer niet meer gespot en we waren ervan overtuigd dat hij… nou ja, in het hiernamaals was. Dat hij er toch nog is, vermoedden we sinds het vetbolletje in de kale mini-appelboom zo hard slinkt.

Het rap slinkende bolletje hangt aan het hoogste takje. De dikke merel is te zwaar voor dat takje en kan dus no way bij dat vetbolletje komen, wat voor hem natuurlijk een ware tantalus-kwelling is. De koolmeesjes bliefen het niet en het roodborstje kan dat nooit allemaal in zijn eentje op. Huismuis weegt maar een paar gram, zo weinig dat hij over de sneeuw kan trippelen zonder sporen achter te laten. Dus hoe konden wij met zekerheid zeggen dat hij het bolletje opvrat? Ooggetuigen waren er niet. Totdat door het onheil een draadje in zijn hoofd losraakte.

Onze vijf hoofdrolspelertjes moeten plotseling als bevroren hebben gestaan. Ik kan me voorstellen hoe ze daar alle vijf met de snavel/snuit open gezakt, hun activiteiten stakend, omhoog stonden te kijken. Een enorme dampende massa balanceert daar op het kozijn. Ze willen wel vluchten, maar zijn verstijfd van angst en schrik. Bevend op hun dunne pootjes, zakken ze steeds verder weg in de sneeuw. En daar komt het gevaarte op hen af. Op het allerlaatst springen ze opzij, veilig weg onder de kerstboom van de dikke merel die hen daar voor één keer toelaat.

Je wordt solidair in zo’n situatie.

Met een oorverdovende dreun komt de dampende massa in de sneeuw terecht. Heet water kletst ervan af. En dan blijft het daar roerloos liggen. Minutenlang blijven de vijf onder de boom zitten. Huismuis is de eerste die wat dichterbij gaat. Die verrekte nieuwsgierigheid van hem ook. Het kost hem zijn anonimiteit.
De koolmeesjes hervinden hun moed en vliegen er gauw van tussen. Laat de boel hier eerst maar eens kalmeren. Roodborstje doet een snelle inspectievlucht over de massa en houdt het hier even voor gezien. De dikke merel is de komende uren zijn oude zelf en blijft onopvallend onder de boom zitten.

Zondagochtend 11 uur.

De huismuis zit zomaar open en bloot op het vetbolletje te knabbelen. Hij is glad vergeten dat hij onzichtbaar wilde zijn. Die zal zijn neus iets te diep in dampende berg hebben gestoken. Maar voor de rest, kun je wel zeggen, ziet het er allemaal weer sereen en gezellig uit.

De dampende massa is in de loop van de nacht afgekoeld. En langzaam opgevroren. Nu maakt het deel uit van het landschap, als een massieve ijsberg. Dat is het keiharde bewijs dat er de dag ervoor iets onheilspellends heeft plaatsgevonden.

Dat is het resultaat van een gesprongen cv-buis in de slaapkamer.

Het aanpassingsvermogen van de hoofdrolspelers is ontzagwekkend. Alsof er niets is veranderd, zitten ze daar in de tuin gewoon weer hun ding te doen.

Kan ik nog een puntje aan zuigen.